FAQ werken in kruipruimten
De vernieuwde Arbocatalogus Kruipruimte ligt op dit moment (najaar 2026) ter beoordeling bij de Nederlandse Arbeidsinspectie. In de tussentijd beantwoorden we in deze FAQ veelgestelde vragen uit de branche over de regels voor het werken in kruipruimten.
De afmetingen, hoogtes, afstanden en werk- en rusttijden die in deze FAQ worden genoemd, maken al langere tijd onderdeel uit van de brancheafspraken voor veilig en gezond werken in kruipruimten. Zij zijn gebaseerd op onderzoek dat TNO in opdracht van Arbotechniek heeft uitgevoerd naar fysieke belasting, bereikbaarheid, vluchtmogelijkheden en hulpverlening in kruipruimten. Deze uitgangspunten zijn overgenomen in de huidige arbocatalogus en komen ook terug in de vernieuwde versie die momenteel door de Nederlandse Arbeidsinspectie wordt beoordeeld.
Waarom gelden deze regels?
Werk en inspectie in een kruipruimte is lichamelijk zwaar. Je kunt meestal niet rechtop staan. Je moet kruipen, bukken of liggend werken. Ook is de toegang vaak klein. Dit kan leiden tot fysieke overbelasting. Bij een noodsituatie kost het meer tijd om de ruimte te verlaten. En het is lastiger om iemand te redden die hulp nodig heeft.
Vraag 1 Welke afmetingen moet een kruipgat hebben?
Om veilig in een kruipruimte te kunnen werken, moet het kruipgat groot genoeg zijn. De minimale afmetingen hangen af van de hoogte van de kruipruimte.
- Kruipruimte 100 cm hoog of hoger: minimaal 62 x 62 cm
- Kruipruimte tussen 80 en 100 cm hoog: minimaal 62 x 62 cm
- Kruipruimte tussen 60 en 80 cm hoog: minimaal 100 x 62 cm
- Kruipruimte lager dan 60 cm: hiervoor is geen norm vastgesteld
Let op bij kruipruimtes hoger dan 100 cm
Is de kruipruimte hoger dan 100 cm? Dan moet je een ladder in de toegang kunnen plaatsen. Zo kun je de ruimte veilig bereiken en voorkom je onnodige lichamelijke belasting.
Let op bij kruipruimtes lager dan 60 cm
In kruipruimten lager dan 60 cm mogen geen werkzaamheden worden uitgevoerd. Een inspectie is soms wel mogelijk. Het kruipgat moet dan groot genoeg zijn om de ruimte veilig te kunnen betreden en verlaten. Ook moet het mogelijk blijven om de ruimte bij een noodsituatie snel te verlaten of een medewerker te redden.
Wat als het kruipgat te klein is?
Het kruipgat moet groot genoeg zijn om de kruipruimte veilig in en uit te gaan zonder dat dit leidt tot te zware lichamelijke belasting of problemen bij vluchten en redden. Is het kruipgat kleiner dan de minimale afmetingen? Maak het dan groter of zorg voor een andere toegang die wel groot genoeg is.
Is dat ook niet mogelijk? Dan mag je de kruipruimte niet betreden. Alleen als er echt geen andere veilige oplossing is, mag in sommige gevallen worden afgeweken van de maximale kruipafstand uit de arbocatalogus. Dan moet vooraf wel duidelijk kunnen worden aangetoond dat de veiligheid en gezondheid van medewerkers minstens even goed zijn gewaarborgd. Hiervoor is meestal een risicoanalyse nodig die is afgestemd op de situatie op de locatie.
In de risicoanalyse moet je kunnen aantonen dat medewerkers de kruipruimte veilig kunnen betreden, verlaten en in een noodsituatie kunnen worden geëvacueerd. Hierbij moet ook aangetoond worden dat het beschermingsniveau minimaal even hoog is als bij een kruipgat dat wel groot genoeg is. Kijk daarbij niet alleen of een medewerker zelf het kruipgat kan verlaten. Denk ook aan een noodsituatie waarin iemand gewond raakt of bewusteloos is en niet meer zelf kan bewegen. Een kruipgat dat groot genoeg is om zelfstandig doorheen te kruipen, is namelijk niet altijd geschikt om een gewonde of bewusteloze medewerker snel en veilig te evacueren.
Kort gezegd
Een kruipgat met de juiste afmetingen maakt het mogelijk om een kruipruimte veilig in en uit te gaan. Het voorkomt onnodige lichamelijke belasting en zorgt het ervoor dat vluchten of redden in een noodsituatie mogelijk blijft. Controleer daarom altijd vooraf of het kruipgat voldoet aan de minimale afmetingen.
Vraag 2 Hoe hoog moet een kruipruimte zijn?
Om veilig en verantwoord te kunnen werken, moet een kruipruimte voldoende hoog zijn.
- Een kruipruimte moet minimaal 60 cm hoog zijn om er te kunnen werken.
- Onder balken, leidingen of andere obstakels kan de ruimte plaatselijk lager zijn. Is de doorgang ergens minder dan 60 cm hoog door plaatselijke vernauwingen of obstakels? Beoordeel dan of deze veilig kunnen worden gepasseerd en of deze kunnen leiden tot te zware lichamelijke belasting of problemen bij vluchten en redden.
- Is een kruipruimte lager dan 60 cm? Dan mag deze alleen worden betreden voor een inspectie. Beoordeel vooraf of een inspectie veilig en verantwoord kan worden uitgevoerd. Werkzaamheden uitvoeren is dan niet toegestaan.
- Is de kruipruimte lager dan 45 cm? Dan zijn inspecties meestal niet mogelijk zonder dat dit leidt tot te zware lichamelijke belasting of problemen bij vluchten en redden. Beoordeel altijd vooraf of een inspectie nog veilig en verantwoord kan worden uitgevoerd.
Wat kun je doen als een kruipruimte lager is dan 60 cm?
Onderzoek of het werk op een andere manier kan worden uitgevoerd. Mogelijke oplossingen zijn:
- Voer het werk zoveel mogelijk van buiten de kruipruimte uit.
- Pas de werkwijze aan, zodat medewerkers de kruipruimte niet hoeven te betreden.
- Gebruik hulpmiddelen of speciaal gereedschap waarmee je op afstand kunt werken.
- Maak de kruipruimte beter toegankelijk. Dat kan bijvoorbeeld door deze plaatselijk uit te graven als dat technisch mogelijk en veilig is. Zorg dat dit geen nieuwe risico’s veroorzaakt voor de constructie, installatie of stabiliteit van de kruipruimte.
Belangrijk
De minimale hoogte moet niet alleen worden beoordeeld op de werkplek zelf, maar over de volledige route tussen het kruipgat en de werkplek. Vernauwingen en obstakels kunnen bepalend zijn voor de mogelijkheid om veilig te werken en om een medewerker bij een incident te evacueren. Een kruipruimte die lager is dan 60 cm is niet geschikt als werkplek. Onderzoek daarom altijd eerst of het werk anders kan worden uitgevoerd of dat aanvullende maatregelen nodig zijn.
Vraag 3: Wat is de maximaal toegestane afstand tot een kruipgat?
De maximale afstand die je in een kruipruimte mag afleggen, hangt af van de hoogte van de ruimte.
- Is de kruipruimte 80 cm hoog of hoger? Dan mag de afstand vanaf het kruipluik of kruipgat maximaal 18 meter zijn.
- Is de kruipruimte lager dan 80 cm? Dan is de maximale afstand 7,5 meter.
- Is de kruipruimte lager dan 60 cm?
Beperk het betreden zoveel mogelijk. Ook bij inspecties gelden de gebruikelijke uitgangspunten voor maximale kruipafstanden: 7,5 meter bij een hoogte onder 80 cm. Beoordeel altijd de fysieke belasting, obstakels, bodemgesteldheid, mogelijke gevaarlijke stoffen of gassen, ventilatie, bereikbaarheid, communicatie en de mogelijkheden om de kruipruimte bij een calamiteit zelfstandig te verlaten of een medewerker te redden. - Inspecties in kruipruimten lager dan 45 cm zijn meestal niet meer veilig mogelijk. Zie ook vraag 2 over hoogtes.
Wat als de afstand te groot is?
Controleer eerst of er een andere toegang is waarmee je een kortere route kunt gebruiken. Is die er niet, kijk dan of het mogelijk is om een extra toegang te maken.
Is dat ook niet mogelijk? Dan mag je niet werken of inspecteren op de plek waar de afstand tot het kruipgat te groot is. Alleen als er echt geen andere veilige oplossing is, mag in sommige gevallen worden afgeweken van de maximale kruipafstand uit de arbocatalogus. Hiervoor moet vooraf wel duidelijk kunnen worden aangetoond dat de veiligheid en gezondheid van medewerkers minstens even goed zijn gewaarborgd. Meer informatie hierover lees je bij vraag 3.
Kort gezegd
Hoe lager de kruipruimte, hoe korter de toegestane afstand. Zo beperk je de risico’s en zorg je voor een veilige en gezonde werkomgeving.
Vraag 4 Kun je afwijken van de maximaal toegestane kruipafstanden?
De arbocatalogus beschrijft hoe werkzaamheden veilig kunnen worden uitgevoerd. Afwijken van de uitgangspunten uit de arbocatalogus is mogelijk wanneer de werkgever vooraf kan aantonen dat een andere werkwijze net zo veilig en gezond is. In de praktijk zal dit moeten worden onderbouwd met een locatiespecifieke risicoafweging.
Welke onderbouwing is nodig?
Wijk je af van de arbocatalogus, dan moet je kunnen onderbouwen waarom er toch veilig gewerkt kan worden en hoe een noodsituatie onder controle blijft. Hiervoor is meestal een locatiespecifieke Taak Risico Analyse (TRA) nodig. Alleen kunnen communiceren of alarm slaan is daarvoor niet voldoende. In de TRA worden de risico’s van de situatie in kaart gebracht. Ook wordt onderbouwd waarom de gekozen werkwijze minstens zo veilig is als de werkwijze uit de arbocatalogus. Bij een grotere kruipafstand is het belangrijk dat vooraf duidelijk is aangetoond dat een medewerker die op de verst gelegen werkplek onwel wordt of gewond raakt, op tijd kan worden gevonden, bereikt en uit de kruipruimte kan worden gehaald. In de TRA moet ten minste worden meegenomen:
- De hoogte van de kruipruimte
- De feitelijke kruipafstand
- De aanwezigheid van obstakels
- De bodem van de kruipruimte (vochtig/nat, zijn obstakels goed zichtbaar)
- De mogelijkheid om snel te vluchten
- De bereikbaarheid voor hulpverlening
- De wijze waarop een niet-zelfredzame medewerker uit de kruipruimte kan worden gered
- De duur van de werkzaamheden
- De fysieke belasting die de werkzaamheden en kruipafstand veroorzaken. Hierbij moet rekening worden gehouden met de aard en zwaarte van de werkzaamheden en de belastbaarheid van de specifieke medewerkers. Wanneer individuele medische geschiktheid een rol speelt, behoort de beoordeling daarvan tot de deskundigheid van de bedrijfsarts.
- Atmosfeer van de kruipruimte (gevaarlijke stoffen, zuurstoftekort, biologische agentia, brand- of explosiegevaar)
- De aanwezigheid van communicatie- en alarmeringsvoorzieningen
- De aard van de werkzaamheden (inspectie, montage, storing, etc.).
Wat kunnen aanvullende beheersmaatregelen zijn?
Welke aanvullende maatregelen noodzakelijk zijn hangt af van de specifieke situatie. Je kunt in algemene zin denken aan de volgende beheersmaatregelen:
- Inspecteer de kruiproute vooraf en maak hem volledig vrij van obstakels, puin en scherpe delen
- Overweeg afhankelijk van de TRA het werken met twee personen, een mangatwacht of aanvullende alarmeringsvoorzieningen (zoals een man down systeem, inactiviteitsdetectie, lone worker systeem). Hiermee kan de medewerker snel worden gelokaliseerd.
- Regel voldoende verlichting over de volledige kruiproute en zorg dat de verlichting niet kan uitvallen
- Gebruik communicatiemiddelen en zorg voor continu contact tussen medewerker in de kruipruimte en de mangatwacht
- Beoordeel of er een risicovolle atmosfeer is, zijn er gevaarlijke stoffen aanwezig, denk ook aan biologische agentia en pas de beheersmaatregelen uit de arbocatalogus veilig werken in kruipruimten toe.
- Stel energiebronnen en installatiedelen die gevaar kunnen opleveren veilig
- Beperk de verblijfsduur in de kruipruimte
- Voer extra rust- en herstelmomenten in
- Overweeg een reddingslijn of andere voorziening die de hulpverlening en de vindbaarheid van de medewerker ondersteunt. Beoordeel in een TRA of een reddingslijn de redding niet bemoeilijkt door obstakels, verstrikkingsgevaar of de inrichting van de werkruimte.
- Zorg dat reddingsmiddelen beschikbaar zijn
- Beperk de hoeveelheid mee te nemen materiaal en gereedschappen in de kruipruimte
- Zorg voor een duidelijke route naar de werkplek
- Oefen vooraf met vluchtroutes en noodprocedures.
Belangrijk
Vooraf moet worden vastgesteld hoe een medewerker bij een incident tijdig kan worden gelokaliseerd, bereikt en uit de kruipruimte kan worden gered.
Vraag 5 Hoe lang kun je veilig en gezond in een kruipruimte werken?
Werken in een kruipruimte is lichamelijk zwaar. Daarom zijn er grenzen aan hoe lang je daar mag werken. De werk- en pauzetijden hangen samen met de hoogte van de kruipruimte.
- Breng maximaal 4 uur per dag door in een kruipruimte.
- Is de kruipruimte hoger dan 100 cm? Dan mag je maximaal 1,5 uur achter elkaar in de kruipruimte werken. Neem daarna minimaal 10 minuten pauze. Hiervan moet je minstens 5 minuten buiten de kruipruimte
- Is de kruipruimte 60 tot 100 cm hoog? Dan mag je maximaal 1 uur achter elkaar in de kruipruimte Neem daarna minimaal 10 minuten pauze. Hiervan moet je minstens 5 minuten buiten de kruipruimte doorbrengen.
- Is de kruipruimte lager dan 60 cm? Dan mag je deze alleen betreden voor een inspectie en geldt een maximale aaneengesloten verblijfsduur van één uur, gevolgd door minimaal 15 minuten buiten de kruipruimte.
De genoemde maximale verblijfstijden in de kruipruimten zijn bovengrenzen en geen streeftijden. De feitelijke verblijfsduur in de kruipruimte moet zo kort mogelijk worden gehouden. Houd daarbij rekening met onder andere de werkhouding, fysieke belasting, temperatuur, bereikbaarheid, aard en zwaarte van de werkzaamheden en overige omstandigheden in de kruipruimte.
Wat kun je doen om de belasting te verminderen?
- Blijf niet langer in de kruipruimte dan nodig. Houd je altijd aan de voorgeschreven werk- en pauzetijden.
- Voer werkzaamheden zoveel mogelijk buiten de kruipruimte uit. Ga alleen de kruipruimte in als dat echt nodig is.
- Bij langdurig of fysiek zwaar belastende werkzaamheden kan het zinvol zijn om werkzaamheden tussen collega’s te verdelen of af te wisselen.
- Pas waar mogelijk taakroulatie toe. Wissel werkzaamheden in de kruipruimte af met werkzaamheden buiten de kruipruimte, zodat je lichaam voldoende gelegenheid krijgt voor herstel.
Kort gezegd
Hoe korter je achter elkaar in een kruipruimte werkt, hoe beter. Door regelmatig pauze te nemen en werkzaamheden waar mogelijk buiten de kruipruimte uit te voeren, werk je veiliger én gezonder.